DE TANDENFEE

Eert men Kaat Mossel in Rotterdam,
kent Haarlem Kenau Hasselaar,
in Giessendam saneert Siermann,
stoere vrouwen van zessen klaar.

Wel bij haar geen haar op de tanden
stopt zij nijver in zwarte kousen gaten,
draagt de goegemeente haar op handen
bij schippers overbrugt zij de hiaten.

Als het woord Gods in een ouderling
drijft zij de boor tot aan het gebeente,
al vijfentwintig jaar vertrouweling
bevrijdt zij ivoor van vuig gesteente.

Geen Kaat of Kenau maar goede fee,
God geve haar nog een kwart eeuw mee.

 

 

 

12 oktober 2009